ALBATROSS [a story - Dutch]

ALBATROSS

“Ik wilde altijd al zo’n hondje hebben, jeweetwel, zo een van die zwarte compacte hondjes die er uit zien alsof ze gebeeldhouwd zijn naar de stenen duiveltjes op de flanken van de kathedraal. Hun oortjes zijn hun horentjes. Soms, als ze niezen, kunnen hun ogen uit hun kassen schieten. Heb ik gehoord. Ik weet niet of dat waar is. Hoe kan ik dat ook weten? Ik heb nog nooit zo’n hondje gehad, of enig ander hondje. Ik weet niets over honden, behalve dat ze blaffen en regelmatig uitgelaten dienen te worden. Het blijft een vreemd gezicht in de stad; een tetrapod, wandelend op twee poten, die met zijn grijpgrage vrije handen een tetrapod, wandelend op alle vier de poten aan een touwtje houdt. Alsof we niets beters te doen hebben. Mag ik nog een koffie?”

Één van de mannen aan de overzijde van de bleke tafel draaide zich half om en gaf een nukkig knikje. De breedste van de twee agenten naast de deur verdween de verhoorkamer uit. Ik leunde achterover, voor zover dat mogelijk was in deze miserabele stoel.

“We hebben geen tijd voor of zin in gekeuvel.” zei de ene rechercheur.
“Ik zeg geen woord meer als ik geen sigaret krijg.” zei ik.
“Godzijdank.” spoog de andere rechercheur.

De koffie werd binnengebracht. Eerlijk gezegd had ik helemaal geen zin in dat schraal aftreksel uit een overjaarse machine, maar de thee was minstens net zo flut en ik had mijn buik zó vol van bruiswater en cola, dat ik het beu werd koolzuur in te moeten slikken.

De rechercheur schoof zijn pakje Lucky Strikes naar me toe.
“Ik bedoel een Camel, natuurlijk.” Ik betrapte mezelf er op dat ik mijn armen over elkaar sloeg, wat ikzelf erg grappig vond, maar daar liet ik niets van merken. Ik keek wel uit met die twee uitgestreken gezichten voor me.

De ene rechercheur zuchtte en wilde de brede agent weer stug toeknikken, maar deze greep ongeduldig in zijn binnenzak, waaruit hij een pakje Camels haalde. Ik stond mezelf toe zwak te glimlachen. De rechercheurs en ik staken alledrie een sigaret op. De agent haalde zijn aansteker werktuigelijk ook tevoorschijn maar de rechercheurs keken hem boos aan. Wat dacht-ie wel? Verschil moet er zijn.

Daar zaten we dus in de verhoorkamer krullen te blazen alsof het Paaszondag was.
“Vertel ons nu iets bruikbaars, juffie.” zei de andere rechercheur.
Ik zat inmiddels al uren in dit kot en ik had volgens mij werkelijk alles verteld wat ik dacht dat ze moesten weten. Ik haalde mijn schouders op.

“Willen jullie nog een keer hetzelfde verhaal horen?”
“Nee, we willen alles wat je ons tot godverdomme hier aan toe nìet vertelt hebt horen.” zei de een. Hij klonk niet geïrriteerd. Hij klonk moe. Hij keek me ook niet meer aan. Misschien vermoedde hij dat hij zijn tijd zat te verdoen. Ik hoopte het. Dan kon ik snel hier uit en naar huis. Mijn was zat al veel te lang in de machine. Straks begon ze klef en muf te worden en daarvoor deed men de was niet.

“Ah, je ziet eindelijk de serieuze aard van je arrestatie in.” zei de andere.
“Ik dacht aan mijn verdorde bananenplant,” zei ik, “en dat is de absolute waarheid.” De ene rechercheur stond op en keek in het spiegelraam. Ik keek ook. Er bewoog iets achter, ze waren vergeten een lampje uit te doen, daar in de spionagekamer. Zou de hoofdinspecteur zelf daar zitten? Het zou best kunnen. Zou die ook begonnen zijn als een gewone straatagent of zou die via een politieacademie hoofdinspecteur zijn geworden? Ik dacht altijd dat rechercheurs eerst gewoon agent moesten spelen. Boetes uitdelen aan mensen die door rood licht oversteken, bijvoorbeeld.

“Sorry, wat?” vroeg ik.

“Je zou praten als je een sigaret kreeg, die heb je, dus praat.” Ik zag de woorden tussen de tanden van de mond van de rechercheur uitschuiven, lijzig, zwart met gifgroen en met gebarsten kartelranden, als van een broodmes dat bakstenen had willen snijden. De letters werden steeds groter en massiever, totdat ze bijna mijn hals raakten en toen spatten ze uit elkaar als zwart met gifgroene zeepbellen.

“Zeg, u hoeft me niet te bedreigen.” zei ik.

De ene rechercheur keek de andere aan, ze schoven silmultaan hun stoelen naar achteren en zij gingen getweeën in een hoek van de ruimte staan, waar zij onderling een fluistergesprek voerden. Daarna bevalen zij de twee agenten de verhoorkamer uit te gaan. De rechercheurs probeerden hun meest verachtelijke blik op mij uit en volgden de agenten. Ik bleef een tijdje alleen in de verhoorkamer.

De muren, het plafond en de vloer waren van beton. Er waren geen ramen, behalve het raam, dat een spiegel moest voorstellen. De kleuren waren grijs: groengrijs voor de muren, groengrijs voor het plafond en grijsgrijs voor de vloer. De metalen deur was blauwgrijs. Ik negeerde de schaduwen achter de spiegel; daarachter mochten ze doen wat ze niet laten konden. Het luchtverversingssysteem was een donkergrijsgrijs rooster, dat soms verse lucht blies die dik was en vaag naar munt rook, zoals sommige stofzuigers doen.

Ik aaide de tafel. Die was grijs.
Het licht van de t.l.’s was grijs.
De kamer was bijna vierkant.
Ik bedacht me dat ik niet bepaald vrolijker werd van deze ruimte, maar men moest roeien met de riemen die men had. Gelukkig was de verf op de wanden niet mat. De zwakke glans over de kraters en barstjes, de putjes en verfspatten, zelfs een enkel opgevuld gat – een kogelgat misschien wel –

Er liep een rivier van het rooster naar de vloer, ze vertakte zich op verschillende plaatsen maar er was slechts één stroom, die tot aan de vloer reikte, de moederstroom. Sterker nog, ze liep door over de vloer, tot vlak bij mijn stoel. Ik keek naar beneden, de vloer was een gewone, betonnen vloer, niets mee aan de hand, maar terwijl ik keek zag ik de rivier vloeien. Heel langzaam en geluidloos brak het beton in tweeën. Het scheurtje was niet dieper dan een halve millimeter en moeilijk zichtbaar op de vuilbevlekte vloer.

Ik had geen idee hoe lang ik er naar had gekeken maar ineens waren er weer vijf mensen in de kamer. De agenten waren dezelfde, de rechercheurs waren ontegenzeggelijk anders. De ene was een vrouw en de andere was oud. Ze gingen tegenover mij zitten. De stalen deur klapte dicht.

Ik wierp een laatste blik op het scheurtje, dat stiekem twee centimeter dichter naar mijn stoel was gekropen. Daarna gaf ik de nieuwe rechercheurs mijn volle aandacht. Ik dacht dat ik welwillend glimlachte. Als je moe bent, is het soms moeilijk de controle te houden over een subtiliteitencomplex als je gezichtsspieren. Ik vrees dat mijn lach te geforceerd en dus arrogant overkwam, al weet ik dat natuurlijk niet zeker, want je kunt nooit in mensen hun hoofd zien en vooral niet in de hoofden van twee nieuwe en volslagen onbekende andere rechercheurs.

“Wij nemen dit verhoor over.” zei de ene.
“Oké.” zei ik, terwijl ik de neiging onderdrukte om te zien of de scheur nog vorderingen had gemaakt. De ene haalde een stapel papier naar boven, wat blijkbaar een inderhaast uitgetypt verslag was van de voorgaande uren. Ze had nogal stompe handen.

“Ik zie hier,” zei ze, “dat onze psycholoog heeft vastgesteld dat u manisch bent, met autistische trekken. Daarmee voldoet u aan het profiel, dat wij zoeken.”.
“Onzin.” zei ik.
“Onze psycholoog is nochtans hoogst deskundig.” zei de andere.
“Na, und?” zei ik, “Die psycholoog heeft mij uren geleden een kwartier ondervraagd. Ik ken mijzelf al mijn hele leven.”
“Zo nu en dan in de spiegel kijken is nog niet per sé uzelf kennen.”
“Ik zie elke keer iemand anders, als ik in de spiegel kijk,” mompelde ik, meer tegen mezelf dan tegen de rechercheurs. “Nu zie ik bijvoorbeeld uw hoofdinspecteur.” Het lampje achter de halfdoorzichtige spiegel werd haastig uit gedaan.

De rechercheurs leunden allebei voorover. “Wilt u alstublieft uw gangen vanaf gisterenochtend half negen met ons delen?”.Ze zeiden allebei ‘u’, wat een verademing was na de onbehouwen manieren van de vorige rechercheurs. Ik besloot die hoffelijkheid te belonen door ze te vertellen waar ik was geweest, al had ik dat al herhaaldelijk gedaan sinds het begin van dit verhoor.

Ik boog ook naar hen toe, kruiste mijn armen over het tafelblad.

“Wel,” begon ik

en zweeg. Haar ogen rolden naar achteren maar in plaats van wit werden ze zwart, een metaalglanzend zwart en ze bewoog niet meer, ze ademde alleen nog, rechtop aan tafel, haar armen op het tafelblad. De rechercheurs knipten met hun vingers voor haar ogen: geen reactie. Ze begonnen te roepen, maar nog gebeurde er niets. Één van hen strekte de hand uit om haar wakker te schudden, maar toen de vingertoppen haar schouders bijna aanraakten

klapte haar stoel naar achteren, alsof er aan was getrokken, nochtans viel de stoel niet om – ze kantelde en bleef hangen tussen staan en vallen, op beide achterpoten. De hakken van haar laarzen raakten de grond niet meer, zijzelf schoot mee achterover, haar rug hol, haar hals in een hoek, die leek te breken maar er was geen gekraak te horen, wel een zacht aanzwellend dreunen in de muren, het beton resonneerde alsof het een rubberen vel was, een basdrum, een pauk.

De rechercheurs wilden opstaan, de agenten wilden te hulp schieten maar zij konden niet meer bewegen, de lucht in de verhoorkamer drukte hen op hun plaats, had hen in een vacuüm vastgezogen waardoor ook de metalen deur niet meer open kon, waarachter het toegesnelde korps dromde, maar ook van de buitenkant bleek de deur onherroepelijk dicht.

Het grijze t.l.-licht in de verhoorkamer werd minder fel, het dreunen zwol aan en toen stegen langzaam lichtroze slierten rook op uit haar halfgeopende mond, de eerste meter nog recht, daarna braken zij uit in delta’s, diepzeestromen, melk in koffie, ondersteboven zakte de walm naar het beton boven hun hoofden, ze leek licht te geven, in zachtroze stralen en als de walmen tegen het plafond stuitten condenseerden ze in glinsterende, lichtroze kristallen, klein als suiker, die zacht neerdaalden op alles wat zich in de verhoorkamer bevond; de vloer, de tafel, de stoelen, de rechercheurs, de agenten en op haarzelf.

Het geluid werd helderder, maar niet meer luider, het begon als een lied te klinken, terwijl de rook uit haar mond bleef ontsnappen, de kristallen stil vielen, alles bijna stil stond, het klonk als Fleetwood Mac’s Albatross, herkende de breedste van de verstijfde agenten, hij wilde dit zeggen maar hij kon het niet omdat ook zijn kaken en stembanden op elkaar werden gedrukt.

Het korps probeerde vanuit het spionagehok de halfdoorzichtige spiegel te breken. Hoewel er barsten verschenen aan hun kant bleef deze vanuit de verhoorkamer onbeschadigd. Na enige tijd condenseerden de roze walmen niet meer volledig en verviel het residu in een traag kolkende mist, die zich vanaf het plafond omlaag stapelde en Albatross van de wanden sijpelde.

Zij hing nog steeds achterover in haar gekantelde stoel, haar armen naar beneden, de handen in knuistjes, maar losjes, net als haar haar ongemerkt los was gekomen. In de verhoorkamer was de tijd steeds langzamer gaan wentelen, de dampen stegen steeds trager op, de kristallen vielen zo voorzichtig dat ze halt leken te gaan houden en de mist werd dichter en dichter waardoor het korps niets meer zag door de halfdoorzichtige spiegel en ook hoorden zij niet het geluid dat in de lichtroze ruimte weerklonk. Zij konden niets anders doen dan wachten.

In de verhoorkamer bewoog niets meer, totdat zelfs de albatros op haar plaats bleef zweven en zweeg.

Toen spoog zij een regenboog uit, een verblindende, glanzende regenboog die alle mist oploste, de kristallen wegblies in het niets, zij ademde zo diep in dat de regenboog in haar werd gezogen

de t.l.’s straalden grijs licht

haar stoel klapte op de betonnen vloer


“Oh pardon.” mompelde ik, terwijl ik overeind kroop. Ik was gelukkig niet op mijn hoofd gevallen maar mijn schouder voelde wel wat pijnlijk aan. De ene rechercheur snelde me te hulp terwijl een agent mijn stoel weer recht zette. De andere agent bleef met zijn mond open staan, wat nogal een idioot gezicht was. Ik raapte mijn haarklem op van de vloer. Ik zag dat de scheur zich tot een onregelmatige cirkel rond mijn stoel had gevormd en bond mijn haar snel weer samen in een staart.

Het halve korps stormde de verhoorkamer binnen en nadat iedereen elkaar had verzekerd dat alles in orde was, werden we weer alleen gelaten. Ondertussen hadden ze snel de halfdoorzichtige spiegel vervangen, waardoor ik even in de spionagekamer had kunnen kijken. Daar stond het vol met opnameapparatuur en computers, niets bijzonders, precies wat ik verwachtte. Dat deed me beseffen dat ik me verschrikkelijk verveelde.

“Heeft u daar wel vaker last van?” vroeg de vrouwelijke rechercheur.
“Ik verveel me eigenlijk nooit,” zei ik, “er is altijd wel iets dat gedaan kan worden.”
“Ik bedoel, uw...” aarzelde ze.
“Aanval?” vroeg ik.
Ze knikte.
“Ik probeer het onder controle te houden,” zei ik een beetje beschaamd, “maar er zijn geen hulpgroepen voor.” Ik veegde met mijn hand een paar achtergebleven kristallen van het tafelblad. “Geloof ik.” Één kristalletje bleef aan mijn wijsvinger plakken en ik stopte dat in mijn mond. Het smaakte naar venkel. Ik vroeg me af waarom.



* * *



“Ik werd in paniek wakker omdat ik meende dat ik langs een verlaten weg stond met vier platte banden aan mijn auto, maar dat was gedroomd en dus stond ik op om koffie te maken, zoals alt...”
“Kunnen we misschien de koffie overslaan?” onderbrak één van de rechercheurs.
“Nee, ik wil eigenlijk wel nog een koffie.” zei ik. Zonder iets te zeggen ging de breedste van de twee agenten de verhoorkamer uit.

“Ik stond op, dronk koffie en bekeek mijn emails.”
“Was er iemand bij u?”
“Nee.” Ik wachtte tot er nog een vraag kwam, maar de rechercheurs bleven me verwachtingsvol aankijken.
“Ik wilde juist mijn ontbijt gaan maken toen ik die sms kreeg.”.
“Welke sms?” vroeg de ene rechercheur, verward door de papieren bladerend die op het tafelblad lagen, “In uw eerder verslag is geen sprake van een sms.”
“Nee? Misschien ben ik dat vergeten te melden. Het was ook niet belangrijk.”
“Dat,”, zei de andere rechercheur, “bepalen wìj wel.”
Ik probeerde me de exacte tekst van de sms te herinneren.
“ ‘Om 11u30 aan de kathedraal’ stond er.”
De rechercheurs keken elkaar aan. De agent kwam binnen met drie koppen koffie.
“Wie had die sms gestuurd?”
“Ik kende het nummer niet.” zei ik. De ene rechercheur stuurde de agent weer weg. Hij kwam even later terug met mijn gsm. De rechercheurs drukten op wat knopjes, maar de sms konden ze niet vinden.

“Ik heb ‘m gewist.” zei ik.

“Laat dat nakijken.” beval de andere rechercheur de agent, die meteen weer de verhoorkamer verliet, “Gaat u verder.”
“Het was inmiddels al bijna elf uur en ik moest me dan ook haasten om op tijd aan de kathedraal te kunnen zijn, dus ik wilde…” De rechercheurs lieten me opnieuw niet uitpraten.
“Hoezo? U kreeg een bericht van een onbekende, daar hoeft u dan toch geen gehoor aan te geven?” Lepeltjesgerinkel in de koffiekopjes, niet in die van mij, want ik drink mijn koffie zwart en dan heeft roeren geen zin. Toch kreeg ik zin om ook te gaan roeren, want het geluid weerkaatste tegen de betonnen wanden en klonk als een zomerdag, buiten in het park, ijs, belletjes, ijs, ijs en honing, honing.
“Maar het màg wel, natuurlijk.”, antwoordde ik, “Kan ik doorgaan?” De rechercheurs knikten.



“Ik moest me nog aankleden.” vertelde ik.


Als niemand mij kan zien is mijn huid geschubd en glanzend en hard en glad als teflon en geel en zwart gestreept, mijn tong splijt en er groeien horens uit mijne kop, gedraaid als van een gems, op mijn hoeven balanceer ik mijn trappen op in mijn zwarte pak, waarvan de ellebogen versleten en de knieën gescheurd zijn en stap ik door de slierten kwijl, die doorlopend uit mijn mondhoeken druipen over mijn geschubde kin, waar ik ook ga in huis. Als ik bezoek krijg, dan dweil ik.

Als ik de deur uit ga, schud ik mijn schubben af, veeg ze bij elkaar en gooi ze in mijn vuilbak, die altijd vol is voordat het vuilophaaldag is maar met behoedzaam duwen en persen past een hele week afval er meestal toch precies in, ik schroef mijn horens af, die bewaar ik, ik bouw er bomen van, die ik tentoonstel in musea en galeries en ik trek mijn hoeven uit, zodat ik niet daarop hoef te balanceren maar op de hakken van mijn laarzen, die altijd een maat te groot blijken te zijn, ook al pasten ze als gegoten wanneer ik ze kocht. Het is een probleem waar ik geen oplossing voor weet, ook al lees ik alle boeken van de wereld.

Als ik de deur uit ga trek ik een wit kostuum aan, poets ik mijn tanden, met een nietmachine niet ik twee spieren in mijn rechterwang aan elkaar zodat er een kuiltje in komt wanneer ik moet lachen en dat ervoor zorgt dat niemand nee tegen me kan zeggen ook al willen ze niets liever. Ik moet wel oppassen dat ik niet te breed lach, ik kan niet anders dan glimlachen, anders zien ze mijn iets te lange, spitspuntige hoektanden blinken, twee ivoren dolkjes waar aan de binnenkant geheime tekens in zijn gegraveerd, zo geheim dat zelfs ik niet weet wat ze betekenen maar misschien ben ik dat gewoon vergeten en is het niet belangrijk meer of zijn ze nooit geheim geweest.

Als ik de deur uit ga, sla ik links af. Vandaag was het halverwege maart en zoals altijd halverwege maart loopt het licht vooruit op de temperatuur, het is warm en koud tegelijkertijd, bedriegelijk weer. Warm in de zon, zonder wind, met jas, zonder sjaal. Koud in de schaduw. De wind waaide uit het noorden. Men moest daarom een winterjas aan. Desondanks liepen er toch ook mensen in zomerkleren op straat. De eerste drie liet ik ongestraft passeren, hoewel mijn gemoed zakte en er een donkere wolk voor de zon schoof, die er niet meer vandaan wilde. Aan de overzijde van de straat liep een jongeman met een korte broek en zijn blote benen en tenen in sandalen gebonden, waarom ik de straat overstak en de jongen liet struikelen. Hij schaafde zijn blote knieën open aan de winterkille ruwheid van de trottoirtegels, steengruis bleef aan zijn wonden hangen en hij barstte in huilen uit, beschaamd van zelfmedelijden toen hij zijn vergissing inzag. Uit boetedoening kroop hij over de stoep terug naar zijn huis, een spoor van bloed achter hem, om daar een broek en dichte schoenen aan te trekken, waarna hij gelouterd was en de dag opnieuw kon beginnen.

Ik wandelde verder, ik had geen tijd te verliezen, het was al kwart over elf, toen er een meisje in een zomerjurkje mij tegemoet kwam, zij probeerde een zomerjurkse uitdrukking op haar gezicht te bewerkstelligen maar mij misleidde ze niet, want zij klemde haar handtasje dat veel te klein was om een jas of een vest te herbergen tegen haar borst alsof het een kruik was maar haar portemonnee, haar lippenstift, haar huissluitsels, haar gsm, ja zelfs noch haar agenda konden haar verwarmen. Haar zomers kapsel verwoei potsierlijk door een wintervlaag uit een ijskelder in een zijstraat. Ik liep recht op haar af en gaf haar een flinke klap in haar gezicht, zo hard dat haar hoofd opzij sloeg maar zij draaide dit onmiddellijk terug. Dankbaar keek ze me aan want haar wang begon te gloeien van mijn handafdruk en dit werkte aldus als een tijdelijk kacheltje, dat evenwel na enige ogenblikken al afgekoeld was waardoor zij wederom rillend achterbleef. Ik wandelde door, over mijn schouder roepend: “Laat dat een les zijn!” maar ik vreesde dat zij de les verkeerd begrepen had toen ik zag hoe zij zichzelf met vlakke hand tegen het gezicht mepte.

Dit stemde mij treurig, maar ik moest me verder haasten, wilde niet te laat komen, niet veel te laat in ieder geval. En hoewel ik onderweg naar de kathedraal hinderlijke tegenliggers opzij duwde met een kracht die sommigen onbedoeld door etalageruiten deed breken, bleven zij allen mij vriendelijk toeknikken. Enkelen applaudiseerden zelfs.



“Hm?” zei ik. De twee rechercheurs stonden allebei naast me, de ene links, de andere rechts, de ene rukte aan mijn mouw, de andere ratelde aan mijn schouder. Ze hielden op met aan mij te plukken en gingen weer tegenover mij zitten. Een t.l. flikkerde even, ik keek omhoog en zag knisperende, heldere druppels aan het plafond hangen, geen kristallen dit keer. Één viel in mijn koffie, die inmiddels koud was geworden.

“Juffrouw,” zei de andere rechercheur mismoedig, “werkt u nu alstublieft mee aan dit onderzoek, anders zitten we hier over een week nog. U kleedde zich dus aan. Daarna ging u naar uw afspraak met een onbekende.”

“Ja.” zei ik eenvoudig, terwijl ik diep nadacht waar dit verhoor was gebleven, maar dat was natuurlijk bij de kathedraal. “Ik bleek vijf minuten te vroeg te zijn en er was dus nog niemand voor de kathedraal. Daarbij was het bericht niet helemaal duidelijk geweest, want de kathedraal heeft drie vrije gevels met aan elke gevel een ingang. Daarom kon het ook zijn dat de afspraak betrekking had op één van de zij-ingangen. Ik besloot om bij de hoofdingang te blijven wachten, want dat leek me de meest waarschijnlijke oplossing.”

Vertwijfeld hief ik mijn armen op en ik vroeg de rechercheurs: “Wat had u anders gedaan in mijn plaats?” Zij knikten beleefd maar zeiden niets, wat ik als bemoedigend opvatte. De rechercheurs hadden zeker precies hetzelfde gedaan in deze situatie. Daarover was geen twijfel mogelijk. Ik had nog een kans in de rechtzaal, mocht het zo ver komen. Als deze twee mensen, duidelijk alom gerespecteerde rechercheurs, dezelfde keuze zouden maken als ik die ochtend om vijf voor half twaalf had gemaakt, dan kwam alles in orde. Daar viel geen speld tussen te krijgen.

Ik bemerkte groeiend ongeduld aan de overkant van de tafel. De ene rechercheur zag bleek en trilde een beetje. Er kroop een zweetdruppeltje over haar voorhoofd. De andere rechercheur leek met de seconde mismoediger te worden, wat te zien was aan zijn ingezakte houding, zijn krommer wordende rug, waardoor hij nu nog ouder leek. Het begon een deerniswekkende vertoning te worden, dat besefte ik nu wel. De afgelopen vele uren hadden vele ene en andere rechercheurs tegenover mij gezeten. Ze hadden tegen me geschreeuwd, ze hadden me bedreigd, ze hadden me in stroop gedoopt en ze hadden me soms zelfs in klaterlachen doen uitbarsten, maar deze twee sneden door mijn merg en been. Om hen op te vrolijken zei ik: “Ik heb een déja-vu. Wij zitten in deze verhoorkamer en u realiseert zich dat dit verhoor zinloos is. Er zit geen einde aan dit verhoor, tenzij ik er nu één voor u verzin.”

Het kleine restje weerstand dat nog aan de overzijde van de tafel had bestaan was eindelijk gebroken. De ene rechercheur barstte in wanhopig snikken uit, de andere schoof naar mij toe, zijn handen in een smeekbede in elkaar gewrongen riep hij uit: “Ja, maak er een einde aan! In vredesnaam!”. Beide rechercheurs keken me door hun tranen heen hoopvol aan. Ik voelde dat ik mijzelf eindelijk in een onderhandelingspositie had gemanouvreerd.

“Als u me hierna vrij laat, zal ik u het einde vertellen.” fluisterde ik. De rechercheurs keken vragend naar de halfdoorzichtige spiegel, waarachter alle lampen aan werden gedaan. Ik zag het halve korps op elkaar geplakt in de kleine spionagekamer, de hoofdinspecteur vooraan tegen het glas gedrukt. Hij knikte. De opluchting in de spionagekamer was voelbaar. De opluchting was te lezen op de gezichten van de twee agenten, die aan weerszijde van de blauwgrijze metalen deur van de verhoorkamer stonden. De opluchting straalde van het gebarsten gelaat van de ene rechercheur, waarop donkere stroompjes traanvocht opdroogden. De opluchting verlichtte ook de ogen van de andere rechercheur en het scheen zelfs mij toe alsof de verhoorkamer iets minder grijs leek.

“Goed dan.” zei ik. Ik draaide het kopje met de koudgeworden koffie aan haar oor, zodat het oor links stond. Daarna nam ik het met mijn rechterhand vast. Ik nam het op en bestudeerde de donkerbruine vloeistof. In het midden dreef een heldere druppel condens in cirkels rond. Ik dronk het kopje in één teug leeg.



* * *



De ogen van de ene rechercheur werden langzaam groter en iets uit hun kassen gedreven, zodat ze me bologig aanstaarden met hun donker wordende irissen. Van de andere rechercheur schoof de neus zijn gezicht binnen, daarbij zijn wangen rimpelend. Het teveel aan wang zakte aan beide kanten tot iets onder zijn kaken, die zachtjes uit elkaar braken om breder te worden. Daarna bliezen ook zijn ogen zich op tot ze zo groot en bol waren als die van zijn collega. Over de huid van allebei de rechercheurs begonnen zwarte haren te groeien, dichter dan gewoon hoofdhaar. Hun spieren borrelden op onder hun lijf, waarbij sommige wat strakker bleven dan andere en hun ledematen krom gingen staan; de armen wijd om de losgetrokken ribben heen, de ribben, die zich herschikten tot de vorm van een tonnetje, zo rond, zo rond dat ze het moeilijk kregen om op de stoelen te blijven zitten. De andere rechercheur was de eerste, die op de grond belandde, eerst nog op handen en voeten, maar vlak daarna hees hij zich op tenen en vingers, die zich herschikten totdat ze stevig genoeg waren om comfortabel op te staan. Toen ook de ene rechercheur zich op de grond had laten vallen, begonnen de staarten te groeien. Ze braken door hun broeken, die als vanzelf af vielen, maar dat gaf niets want ze waren allebei inmiddels volledig behaard.

Ik keek even bezorgd naar de reactie van de twee agenten, maar die leken volledig in beslag genomen door het tafereel. Met grote ogen en een vaag lachje op hun gezichten staarden ze naar de rechercheurs, waarvan tegelijkertijd alle vier de oren de hoogte in groeiden en spitser werden, zoals de horentjes van de duiveltjes op de flanken van de kathedraal.







© Alexandra Crouwers, maart 2009

Populaire posts